Emese Benczúr, VIND JOUW PLEK

1969 Boedapest Hongarije, woont in Boedapest


Emese Benczúr ging in 1990 studeren aan de kunstacademie in Boedapest, vlak na de opening van het IJzeren Gordijn en de val van het communisme. Onder het communistische bewind was kunst in Hongarije vaak een teken van verzet, vol verborgen metaforen over de drang naar vrijheid. Toen de grenzen van het land werden opengesteld was er geen inperking meer en veranderde het leven. Maar niet iedereen veranderde in hetzelfde tempo. Veel kunstenaars konden de overstap naar de nieuwe tijd niet maken en raakten in de war. Ze waren hun thema kwijt. Voor Emese gold dit niet. Ze had een gelukkige jeugd waarin ze het communisme zag als iets voor volwassenen. Het was haar onderwerp niet. Ze was met andere dingen bezig. Ze studeerde schilderkunst, maar werkte met naald en draad. Daarmee maakte ze sculpturen en performances. Kort na haar afstuderen brak ze internationaal door met haar deelname aan Manifesta 2 in Luxemburg in 1998.[1] Daar presenteerde ze Should I Live To Be a Hundred – Day by Day I Think About the Future. In een van ruimtes lagen rollen met 2500 meter kledinglabels met op elk label de tekst "Day by Day". Elke dag kwam ze naar de expositie, nam een nieuw label en vulde de tekst aan, door met engelengeduld "I think about the future" te borduren. Een label per dag, meer dan drie maanden achter elkaar, eindeloze herhaling. Als er een maand voorbij was, knipte ze het band met labels af en hing dat als een tijdsbalk aan de muur. Ook na de expositie werkte ze verder aan dit werk.

Haar moeder was coupeuse. Emese zat als kind onder de naaimachine terwijl haar moeder aan het werk was. Het voelde veilig en ze leerde er een hoop van: op haar zesde kon ze al ontzettend goed handwerken en naaien. Deze vaardigheid gebruikt ze nu in haar werk. Als je iets heel goed kunt omdat je de techniek en het materiaal beheerst, brengt je dat tijdens het werk op een ander niveau. Op deze manier kan Emese het werk loslaten en haar hoofd vrijmaken om aan andere dingen te denken. Dit is een vorm van meditatie.

Emese Benczúr baseert haar werk vaak op een uitdrukking of een gezegde. Taal is dus een belangrijk onderdeel. Op een lichte en zwierige manier staat Emese Benczúr stil bij het verstrijken van tijd, bij het werkproces van de kunstenaar of bij persoonlijkere levenskwesties. En al zegt ze dat het communisme geen invloed op haar heeft gehad, uit haar werk spreekt wel de behoefte aan vrijheid.


Kaap

Voor Kaap maakt Emese een buitenwerk. Het is een doorzichtig, spiraalvormig labyrint met letters die uit elkaar zijn gevallen tot vreemde grafische vormpjes. Het gaat over verstoppen en laten zien. Als je het pad volgt, zie je op een bepaald moment op een bepaalde plaats wat je moet zien: een tekst die je op meerdere manieren kunt begrijpen. Het is een dromerig maar ook dwingend werk. Als kijker kan je hier de tijd even stop zetten, maar dit kan maar vanuit één, door Emese Benczúr bepaald, perspectief.


Uitzicht

De locatie van Emeses labyrint biedt een schilderachtig uitzicht op het fort. Inhoudelijk draait haar werk om de uitnodiging aan bezoekers om hun plek in haar labyrint te vinden. Maar er moest op het fort ook een geschikte plek voor het werk zelf worden gevonden. Emese heeft gekozen voor de meest rustige plek. Haar werk is een sculptuur waar je naar binnen gaat en die je dan vanuit je eigen beweging ontdekt. Hierin sluit het werk aan bij de Minimal kunst uit de jaren '60 van de vorige eeuw, beeldhouwkunst herleid tot zijn elementen. In de Minimal kunst kon een zaal met omgekeerde houten T-balken, regelmatig uitgelegd, het beeld oproepen van een landschap. In Emeses werk wordt zo'n beeld van een landschap opgeroepen door taal.


[1] Manifesta is de enige reizende Europese Biënnale voor Hedendaagse Kunst en vindt elke twee jaar in een ander land plaats. De eerste editie was in Rotterdam 1996. Het hoofdkantoor van Manifesta, van oorsprong een Nederlands initiatief, is in Amsterdam.

Met dank aan: NKA

Hugo Canoilas, Een gang tussen Magritte en Mike Kelly [1]
1977 Lissabon Portugal, woont in Oeires


Portugal kent de laatste jaren een levendige kunstscène, met kunstenaars die in het buitenland gaan studeren. De jongste generatie kunstenaars is druk met het verwerken van Minimal art, Performance kunst en Conceptuele kunst, stromingen die vanaf 1960 het gezicht van de kunst definitief veranderd hebben. Het is alsof het land zijn oude positie in het uiterste zuidwesten van Europa achter zich wil laten, ook wat betreft de kunst. Let wel: in de 15de en 16de eeuw was het land een echte wereldmacht, Portugese schepen bevoeren oceanen en dreven handel, voordat Nederland hun rol overnam.

Hugo Canoilas behoort tot een jonge generatie Portugese kunstenaars. Hij studeerde in Lissabon en Londen, en exposeert de laatste jaren over de hele wereld. In zijn werk omarmt hij allerlei invloeden en hij laat zich inspireren door locale tradities.

Hugo is opgeleid als schilder maar zijn werk neemt allerlei vormen aan. Abstract, figuratief, sociale sculptuur, meditatieve installaties, feestelijke bonte muurschilderingen, in het atelier gemaakt, of juist met een groepje andere kunstenaars.

Hugo houdt van aanpakken en is filosofisch. Zijn werk, hoe verschillend het qua medium ook is, komt voort uit schilderkunst. Hij zegt erover: "Ik begin met een idee, en dat werkt als een springplank. Vanaf het moment dat ik aan het werk ben, staat het idee buiten mij. Het kunstwerk bepaalt zelf of ie het idee opneemt. Ik mag dan denken dat het werk ontstaat door wat ik doe, maar in feite gebeurt het door het werk. Volgens mij zit er gevoelige intelligentie in het schilderen, en deze intelligentie laat me een werk maken dat opereert op middenrif niveau: ergens tussen hersenen en maag in."

Hugo maakt muurschilderingen. Delen van muren in expositieruimtes schildert hij in één kleur (monochroom). Daarmee verandert in een klap de ruimte. De kleur valt niet op, is eerder een beetje anoniem. Dat klinkt bijna saai, maar integendeel! Het is om stil van te worden zo prachtig en rustgevend. En, zoals hijzelf zegt: in stilte ontstaan filosofische gedachten.

Maar hij maakt ook totaal ander werk: kunst die socialistische ideeën uitdraagt. Hij ontdekte bestaande politieke muurschilderingen in Lissabon (opgedragen aan de Anjerrevolutie, 1974) en Boedapest (uit de tijd van het communisme). Kunst met een politieke lading en een artistieke plicht: van het volk, voor het volk. De muurschilderingen plukte hij uit een online archief, hij gumde wat teksten weg en blies ze nieuw leven in voor tentoonstellingen in Duitsland en Armenië.

Hugo houdt van artistieke samenwerking. Dat mensen hun ideeën delen en de handen ineen slaan. Hij biedt andere kunstenaars mogelijkheden om te werken, of hij start initiatieven voor gezamenlijke projecten. Het Morro project bijvoorbeeld, zeven kunstenaars werkten vorig jaar om de beurt verder aan het werk van hun voorganger. Hugo maakte als beginpunt op het platteland een houten schutting tegen de zon. Deze minimale vorm veranderde, groeide en het idee groeide. De laatste kunstenaar heeft de constructie weer afgebroken. Alleen enkele overblijfselen laten zien dat hier ooit iets gestaan heeft.


Kaap

Voor Kaap maakt Hugo Canoilas een parcours in een aantal bunkers. Al je zintuigen worden er aangesproken. Er zijn projecties, een schelp om je oor tegen aan te leggen, objecten die in de lucht hangen, er is geluid. Maar ook stilte. Het parcours nodigt je uit om in het kunstwerk te stappen.


Antropofagie

In de kunst van Zuid-Amerika is antropofagie een begrip. De Biënnale van Sao Paulo in 1998 draaide helemaal rond dit thema. In het kort is antropofagie (tenminste in de context van cultuur) het vermogen om invloeden uit andere culturen en landen op te nemen en er een eigen vorm en leven aan te geven. Feitelijk betekent antropofagie: kannibalisme (het verschijnsel dat mensen andere mensen opeten). In kunst is antropofagie: de geest of essentie van iets opnemen en verwerken. In Brazilië, het land waar Portugal de baas was van 1500 tot 1822 werd dit het culturele weerwoord van de ex-gekoloniseerden. In de jaren '70 bijvoorbeeld maakten Braziliaanse kunstenaars als Hélio Oiticica en Lygia Clark werk dat de Anglo-Amerikaanse Conceptuele kunst verbindt met lokale Braziliaanse volkstradities.

Hugo Canoilas is geïnspireerd door antropofagie. Met zijn werk voor Kaap slaat hij een brug tussen de kraakheldere maar tegelijk dromerige schilderijen van Magritte en de rauwe gang-sculpturen van Mike Kelley. Uit het blote hoofd, uit zijn herinnering, maakt hij een Magritte, maar in de vorm van een Kelley.


[1] Mike Kelley is een Amerikaanse kunstenaar en muzikant. Hij is geboren 1954 in Detroit en woont in Los Angeles. Hij maakt tekeningen, schilderijen, foto's, films, performances, sculpturen, installaties en muziek. Kelley staat voor monsters en teddyberen, onderbouwde anarchie en messcherpe analyses waarmee hij in de onderbuik van de Amerikaanse samenleving doordringt. In zijn werk confronteert Kelley 'fijne' en 'grove' kunstvormen. Hij stelt opvattingen over ideologie, kunst, moraal, goede smaak ter discussie. Zijn hoofdthema is de mentaliteit van de Amerikaanse samenleving, zoals die gevormd is door religie, familierelaties en seksuele moraal.

Met dank aan: Directorate-General for the Arts, Ministry of Culture and the Calouste Gulbenkian Foundation

Jorijn de Gooijer, Explosief drieluik
1984 Naarden, woont in Goutum
www.jorijndegooijer.nl


Jorijn de Gooijer maakt grote wandschilderingen die van boven tot onder gevuld zijn met een wirwar aan figuren. Je weet niet waar je moet beginnen met kijken. Dat is precies wat Jorijn wil. Ze observeert mensen, dingen en gebeurtenissen, stopt haar hoofd vol beeldmateriaal en verwerkt dat alles in haar werk. Ze zoekt een plek voor haar wandschildering en tekent maar door. Haar inspiratiebronnen zijn speelgoed, robots, straatkunst, glas in lood, strips, tatoeages, stoffen, inheemse maskers, mensen. De figuren zijn geschrokken, gestrest, bozig, vrolijk, gewelddadig, verveeld, verliefd en ga zo maar door. Doordat ze haar tekeningen en schilderijen helemaal vol schildert, gaat er een enorme energie van uit. Het gaat haar om die stroom, de beweging, meer dan om een duidelijk thema. Haar figuren vormen het materiaal waarmee ze vrolijk improviseert.


Ze vergelijkt haar manier van werken met de écriture automatique, automatisch schrijven. Die manier van werken, waarbij een kunstenaar het hoofd laat leegstromen, is niet makkelijk bij het maken van werk in een openbare ruimte.[1] Er lopen mensen langs die een praatje willen maken. Daarom werkt ze vaak met een koptelefoon op, of op tijden dat er zo weinig mogelijk mensen zijn. Zo houdt ze haar concentratie vast.


Tegenwoordig werkt ze meestal in zwart-wit. Ze gebruikt in haar tekeningen alleen zwarte stiften en in muurschilderingen alleen zwarte acrylverf zodat ze zich kan richten op vormen en lijnen. Vroeger vulde ze de vlakken met knallende kleuren maar nu stopt ze er nog meer afbeeldingen in. Het werk moet zo vol en chaotisch mogelijk worden. Ze tekent alle figuren aan elkaar en maakt van de restvormen ook weer figuren. Er is geen centrum, geen vooropgestelde compositie, geen thema. Je ogen kunnen over het hele werk dwalen en steeds weer nieuwe dingen ontdekken. Gek genoeg gaat er van het chaotische geheel ook rust uit. Dat komt door het hechte patroon van de voorstelling, waarbij figuren en vormen aan elkaar vastzitten.


Jorijn de Gooijer vindt het moeilijk om lege plekken leeg te laten. In literatuur over Outsider art en Art Brut (stromingen die Jorijn fascinerend vindt) wordt dat horror vacui genoemd.[2] Angst voor het lege.

Bij sommige kunstenaars is dit zo obsessief dat zelfs het hele huis eraan moet geloven, op alle muren in alle kamers maken ze dan hun eigen kunst. Hoe zou dat in Jorijns huis zijn?


Kaap
Voor Kaap maakt Jorijn de Gooijer in drie aangrenzende bunkers schilderingen. In elke bunker komt een houten achterwand, waaraan ze een schilderij hangt. De figuren en gebeurtenissen op die schilderijen worden vervolgd op de houten wanden ernaast. Een figuur kan zo ontsnappen en op avontuur gaan. De voorstellingen in de drie bunkers staan op zichzelf. Maar buiten de ruimtes ziet de kijker, vanaf een zekere afstand en op een bepaald punt, één doorlopend tafereel.


Animisme

Jorijn de Gooijer is in 2007 afgestudeerd aan Academie Minerva te Groningen. Ze is een jong talent. In het academiegebouw in Groningen waren twee lange doorlopende wandschilderingen in zwart-wit te zien. Deze dynamische taferelen deden denken aan afschrikwekkende totembeelden uit animistische culturen zoals de Nieuw-Zeelandse Maori’s: in deze culturen gelooft men dat alles geest is, dat voorwerpen geest hebben, dat de geesten van overledenen onder ons zijn. Op een speelse en intuïtieve manier stelt de kunst van Jorijn iets aan de orde wat we niet kunnen zien maar wel ervaren.


[1] Als kunstenaar vraagt Jorijn zich af waar haar werk te zien zou moeten zijn. Op een handtasje? In de openbare ruimte, een kantine bijvoorbeeld? Of toch in een museum? Haar werk is vaak een zoekplaat waar je de tijd voor moet nemen. Kan dat in de openbare ruimte, of lopen mensen er dan aan voorbij?

[2] Outsider Art of Art Brut is echte kunst die buiten de gevestigde orde gemaakt wordt door bijvoorbeeld verstandelijk gehandicapten of psychiatrisch patiënten. Authentiek en eigenzinnig. De makers zijn niet uit op een effect op de toeschouwer. Adolf Wölfli is een beroemd voorbeeld.

Irene Kopelman, 1,2,3,4 Dingen van Papier
1974 Córdoba Argentinië, woont in Amsterdam


Irene Kopelman tekent, schildert en maakt sculpturen. Haar werk komt vaak op dezelfde, zeer geduldige manier tot stand.

De laatste jaren is Irene Kopelman vaak te vinden in natuurwetenschappelijke musea. Ze is geïnteresseerd in de voorwerpen die ze tentoonstellen. Maar ook hoe musea die voorwerpen laten zien, hoe ze informatie presenteren en hoe hun archief eruit ziet. Musea zijn wereldjes op zich maar tegelijk verwijzen ze naar de ‘echte’ wereld.

Irene is met name geïnteresseerd in archeologie en geologie, takken van wetenschap met geleerden die met veel geduld de aarde bestuderen, de natuur en overblijfselen van culturen van lang geleden.

Met precisie tekent ze na wat je er vindt, bijvoorbeeld steentjes die ze rubriceert in bakken en afgiet. Door dode dingen na te maken geef je ze weer leven. Dit drijft haar als kunstenaar.

Irene gelooft dat wij een voorwerp opnieuw kunnen leren kennen door het opnieuw te maken. In haar kunst vind je vaak reeksen en herhalingen van dingen, die vergelijking mogelijk maken. Irene maakte ooit een serie schelpen, waarvoor ze onderzoek deed in het Teylers Museum in Haarlem. Daar vond ze fossielen van schelpen waarmee heel lang geleden stranden bedekt waren, maar die nu niet meer bestaan. Door haar werk werden die schelpen weer springlevend.

Toen ze aan de Rijksakademie werkte, kopieerde en vergrootte ze maandenlang haast obsessief elke kleine onregelmatigheid in haar atelier. Ze maakte alle minuscule bobbeltjes op de muren na en ieder detail bracht ze in kaart alsof het een archeologische opgraving was. Maar ze is geen archeoloog. Ze is kunstenaar. Een criticus noemde dit werk een nabootsing van de eenzaamheid, die ze in een voor haar nieuw land op een nieuwe werkplek ervoer.


Kaap

Voor Kaap maakt Irene een werk dat bestaat uit een verzameling papieren voorwerpen met vormen die uit de wiskunde komen. De verzameling wordt in tweeën geknipt en in twee naast elkaar liggende bunkerruimtes gepresenteerd. In de ene ruimte kun je kijken naar de voorwerpen, ze staan daar opgesteld op langwerpige sokkels. In de andere ruimte kunnen kinderen aan de slag en kunnen ze de voorwerpen zelf maken. Dezelfde voorwerpen zijn in dit werk dus én kunstvoorwerpen, én voorwerpen voor kinderen. Een museum en een laboratorium bevinden zich zo naast elkaar. Wat in de ene ruimte kunst is, is in de andere ruimte een model waarmee kinderen kunnen experimenteren.


Experiment

In de wetenschap heeft zich de laatste vijftig jaar een nieuwe richting ontwikkeld: experimentele Wetenschapsgeschiedenis. Om iets te weten te komen over oude experimenten en uitvindingen, worden niet alleen oude stoffige boeken gelezen, maar ook oude onderzoeksopstellingen nagebouwd. Onderzoekers willen experimenten van vroeger begrijpen door ze proefondervindelijk na te doen.

Op deze manier kan je ook de werkelijkheid benaderen, en voorwerpen. Je kunt een ding beter begrijpen door het na te maken. Kunstenaars en wetenschappers doen dat. Een tekening of beeldhouwwerk van een bestaand ding is een model. In alle takken van wetenschap gebruikt men modellen: wiskunde, chemie, filosofie, economie, sociologie. Ze worden bijvoorbeeld gebruikt in het onderwijs en in vitrines van musea.

Irene ziet een verband tussen het maken van modellen en het maken van kunst. Een kunstenaar heeft een onzichtbaar denkproces dat ie vertaalt in een kunstwerk. De kunstenaar verzint manieren om dit denkproces vast te leggen. Irene gebruikt objecten en teksten om haar ideeën over te brengen.

Voor Kaap werkt Irene het idee uit dat modellen kennis zichtbaar kunnen maken. De laatste jaren zit dat thema steeds in haar exposities. Haar werk gaat over het verschil tussen kijken naar kunst en kunst maken. En in haar experiment op Kaap zijn kinderen het proefkonijn.

Industriële ontwerpers: Anabella Branda en Valeria Lamas.

André Kruysen, Lao Tze’s boomhut
1967 Den Haag, woont in Den Haag
www.andrekruysen.nl


André Kruysen is beeldhouwer. Hij maakt beelden in zijn atelier. Maar hij maakt ook grote sculpturen in musea of gebouwen zoals de Haagse Christus Triomfatorkerk. In een gebouw kiest hij altijd een plek om een werk voor te maken. De ruimte bij een raam bijvoorbeeld. Hij analyseert de daglichtinval en de architectuur tot op het bot en dan doet hij een ingreep: hij hakt het daglicht en de ruimte aan stukken door er grote witte platen met rechte hoeken in te plaatsen. Soms maakt hij hele vrije vormen. De vormen spelen een spel met elkaar en ze veranderen de lichtinval. Of hij maakt de sculpturen juist zo dat ze vergroeien met de ruimte en met het licht. Soms is het zelfs niet meer duidelijk waar de architectuur ophoudt en zijn werk begint. Hij gebruikt hout, gips, witte verf, simpele materialen. Het meest opvallende aan zijn beelden is dat ze, ondanks hun massa, gewichtloos lijken.

Zijn kunstwerken worden de laatste jaren chaotischer. Volgens hem komt dat omdat de beeldcultuur waarin we leven steeds ingewikkelder wordt. Hij wil dat zijn werk dat ingewikkelde weerspiegelt en tegelijk wil hij dat het werk een tegenwicht biedt. De werken die hij maakt verstoren het licht en de ruimte. En al lijkt het werk chaotisch, het veroorzaakt een verstilling die optreedt door de rol die het daglicht krijgt. De werking van het daglicht in een gebouw kan iets heiligs hebben. Een architect als Le Corbusier, die voor André Kruysen een inspiratiebron vormt, heeft dat laten zien.[1]

Chaos en verstilling. Het is tegenstrijdig. En het klinkt serieus zoals het hier nu staat. Maar zijn werk straalt een enorm plezier uit, plezier over wat abstracte [2] vormen je kunnen vertellen. Voor Kaap maakt André geen werk voor een binnenruimte, maar voor buiten. Met zijn blik op de ruimte gaat hij een boom te lijf.


Kaap

In een oud Chinees spreukenboek, de Tao-Te-King staat het volgende vers:

Al verenigt men dertig spaken in één naaf,
in wat er niet is, ligt de bruikbaarheid van de wagen.
Al wordt leem gevormd tot vaatwerk,
in wat er niet is, ligt de bruikbaarheid van het vaatwerk.
Al worden deuren en vensters uitgehakt om een huis te maken,
In wat er niet is, ligt de bruikbaarheid van het huis.
Daarom, zijn voordeel doende met wat er is,
Maakt men gebruik van wat er niet is.

Met dit vers in gedachten maakt André zijn boomhut. Het wordt geen doorsnee boomhut. De meeste boomhutten zien er uit als gewone huisjes, maar dan in een boom gebouwd. Alsof de boom alleen is gebruikt om je huis ver boven de grond te bouwen zodat je mooi uitzicht hebt. Maar hoe ziet de boom er eigenlijk zelf uit?

Een boom neemt veel ruimte in. Het meeste van die ruimte is echter leeg. Dat is de ruimte tussen de takken. André’s boomhut maakt gebruik van die leegte. De ruimte tussen de takken maakt hij op een paar plaatsen dicht met planken zodat er wanden, vloeren en plafonds ontstaan. Die wanden zullen de vorm volgen van de takken zodat ze alle kanten opgolven. Er ontstaan bijzondere vormen en ruimtes die je in een gewone boomhut nooit zal krijgen. Elke boom, zelfs elke tak is immers uniek en anders van vorm dus worden de wanden en vloeren en plafonds (voor zover je nog kunt spreken van wanden, vloeren en plafonds) dat ook.


Traditie

André Kruysen is zich als kunstenaar bewust van de traditie van abstracte kunst. Zijn werk voor Kaap gaat in zekere zin terug op Piet Mondriaan, de Nederlandse pionier van de abstracte kunst, en wel op zijn schilderijen van bomen waarin stam en takken worden teruggebracht tot verticale en horizontale stukjes en lijnen. Met dit vroege werk zette Mondriaan zijn eerste stappen op weg naar de abstractie. André’s boomhut volgt de natuurlijke groei van de boom en vult deze aan met een groeiwijze zoals je die in kunst vindt (abstract, geometrisch, constructivistisch). Takken krijgen gezelschap van planken. Ze harmoniëren als in een muziekstuk. De orde van de kunst geplaatst naast de vloeiende beweging van de natuur.

[1] De architect en stedenbouwkundige Le Corbusier ontwierp een intieme kerk, (Notre Dame du Haut in Ronchamp, Haut in Frankrijk) die wereldberoemd is door het spel met het binnenvallende zonlicht.

[2] Abstracte kunst staat vaak tegenover figuratieve kunst: kunst met een herkenbare voorstelling of een verhaal. Abstracte kunst gebruikt geometrische vormen of figuren en pure kleur in composities met veel dynamiek en energie of juist verstilling. Ruwweg kun je zeggen dat figuratieve kunst wordt gemaakt naar de zichtbare werkelijkheid en dat abstracte kunst een eigen werkelijkheid schept.

Lao Tse's boomhut is gebouwd door: Arnd Bijleveld , Erik jan Ligtvoet (www.ejligt.com), Gerard Ugen ( www.kaos.nl ), Christophe Dumont ( www.innerchoice-shiatsu.nl ), Jasper Brouwer en Andre Kruysen.

Palle Nielsen, Vredesplein van Kinderen (1968/2009)
1942 Kopenhagen Denemarken, woont in Nørre Alslev


Palle Nielsen is een drop-out. Hij studeerde aan de kunstacademie om schilder te worden maar vond het niks, stopte in 1968 en ging werken bij een architect. In die tijd raakte hij betrokken bij een groep activisten die speeltuinen maakte op binnenplaatsen in buitenwijken van Kopenhagen waar geen gelegenheid was om te spelen. Nielsen begon speelplaatsen te ontwerpen. Bij het bouwen wachten ze niet op ambtelijke toestemming. Ze begonnen gewoon, lekker anarchistisch. Ze maakten 's ochtends de bewoners wakker met de mededeling dat ze de gribus gingen aanpakken en binnen een dag veranderden ze de allersaaiste binnenplaats in de mooiste speeltuin van de stad.

Palle Nielsen ontmoette eind 1968 Pontus Hulten, de directeur van Moderna Museet, het museum voor moderne en hedendaagse kunst in Stockholm. Nielsen overtuigde de directeur ervan om zijn museum drie weken af te staan. Nielsen en de groep activisten veranderden het museum in een reusachtig sociaal en pedagogisch experiment met en voor kinderen, getiteld "Model for a Qualitative Society".,[1] Het was een speelplaats met grote gekleurde blokken schuimrubber op de vloer, een balustrade, schommels, klimtouwen, verkleedkleren, maskers, verf, gereedschap, textiel en materiaal om mee te bouwen. En een draaitafel met een stapel elpees met de meest uiteenlopende soorten muziek. Het doel was om de fantasie van de kinderen radicaal te activeren en de ruimte zo te vrijwaren van de invloed van volwassenen. Anti-autoritair. Het sloeg in als een bom. In drie weken kwamen er 35.000 mensen waarvan 20.000 kinderen. Maar toen sloot de brandweer de tentoonstelling omdat ze het schuimrubber te brandgevaarlijk vonden. Nielsen en zijn kompanen zagen dat als een politieke provocatie en ze herbouwden doodleuk in een weekendje de hele tentoonstelling.

Na afloop van de tentoonstelling werd The Model buiten de museummuren herbouwd als een grote opblaasbare tent in een woonwijk. Zeven mensen waren full time bezig met deze, nu publieke speeltuin. Als kunstproject was het dus vernietigd en het leverde geen bijdrage meer aan de discussie over kunst.

Het is nu veertig jaar later. Tegenwoordig is de kennisontwikkeling van kinderen en de ontwikkeling van hun burgerschap een bewaakt proces. Als het op educatie aankomt, wordt er zo min mogelijk aan het toeval overgelaten. Kinderen hebben inmiddels een plaats in musea. Elk zichzelf respecterend museum heeft een educatief programma voor kinderen, soms zijn er zelfs aparte projectruimtes voor hen ingericht.


Kaap

Palle Nielsen is gevraagd om een vervolg te maken op "Model for a Qualitative Society". De omstandigheden nu zijn op allerlei manieren anders dan in 1968. Het nieuwe werk komt nu niet op een binnenplaats in de stad en ook niet in een museum. Het komt dit keer op een forteiland, een wereldje dat buiten de echte wereld lijkt te staan. En is er wel meer anders. We zijn misschien nog voorzichtiger geworden met kinderen. Toen Nielsen zijn werk voor de eerste keer maakte, sprongen kinderen vanaf een balustrade op een massa schuimrubberblokken. Als een mega-ballenbad. Geen haan die ernaar kraaide.


Fort Ruigenhoek, 16 januari 2009

Palles ogen stralen als hij bij de binnenplaats van het fort aankomt. Hij stelt zich voor hoe zijn werk er straks uit zal zien. Ter plekke krijgt hij de inval van de drie tenten; de speelplaats moet beschermd zijn tegen eventuele regen. "Het is belangrijk dat er ook een kleine tent komt voor de kleintjes", zegt hij, "een grote tent zou hen maar afschrikken". Hoewel het al 40 jaar geleden is dat hij zijn speelplaatsen bouwde, lijkt het voor Palle als de dag van gisteren.

Het kunstwerk van Nielsen is prominent aanwezig op Kaap. In verschillende tenten kan er gespeeld worden, erbuiten kan getimmerd en geschilderd worden. Er is een plein, een soort werkplaats, waar kinderen aan de slag kunnen en hun idee en gevoel van vrede vorm kunnen geven.


Pionier

Kaap heeft Palle Nielsen uitgenodigd omdat hij als kunstenaar een pionier is op het gebied van kunst en kinderen. Zijn speelplaats -een zone waar gesprongen, gemaakt, vernietigd en opnieuw gemaakt wordt-  viert de creativiteit van kinderen. Vanaf 2000 staan de jaren '60 en daarmee Nielsens werk weer in de belangstelling. Lars Bang Larsen, de Deense kunsthistoricus, heeft er veel over gepubliceerd en, mede dankzij zijn teksten, hebben andere kunstinstellingen interesse in Nielsens werk; in 2008 werd The Model gereconstrueerd in de Frankfurter Kunstverein en er staat een terugblikkende expositie op stapel in het museum van Barcelona. Nielsens speelplaats draait om de interactie van kinderen met ruw materiaal en van kinderen onderling. Zijn werk heeft een sterke sociale component. Ook veel kunst uit de jaren '90 had zo'n component, de ontmoeting van mensen was het motief in de kunstvorm van de relational aesthetics. Achteraf blijkt de utopische kunst van Palle Nielsen een voorloper van wat vanaf de jaren '90 weer in de kunst speelt.


[1] Bij het kunstwerk schreef Nielsen een pamflet. Hierin schrijft hij:

"Het spelen is de tentoonstelling.
De tentoonstelling is het werk van de kinderen.
Er is geen tentoonstelling.
Het is alleen een tentoonstelling omdat de kinderen spelen in een museum voor moderne kunst.
Het is alleen een tentoonstelling voor degenen die niet spelen.
Daarom noemen we het een model.
Misschien is dit het model van de maatschappij zoals de kinderen die zouden willen. Hopelijk kunnen de kinderen vertellen over hun wereld, zodat het ook een model wordt voor ons. Daarom laten we de kinderen hun model presenteren aan degenen die verantwoordelijk zijn voor de omstandigheden waarin de kinderen moeten leven in de wereld van de volwassenen. Wij geloven dat kinderen zelf kunnen aangeven wat ze nodig hebben. En dat ze iets anders willen dan verwacht."

Met dank aan: Kunstrådet en Danisch Arts Council

Erkka Nissinen, Onderzoekingen van een Jonge Afgestudeerde
1975 Kerava Finland, woont in Hongkong


In het begin van zijn carrière hield Erkka Nissinen alvast een retrospectief: een tentoonstelling met allemaal werken uit zijn verleden. Nog maar net begonnen als kunstenaar, of hij blikte al terug op zijn kunst... Dat lijkt vreemd, maar in het absurde universum van Erkka Nissinen is het weer bijna logisch. Hij maakt zijn eigen wereld vol vrije gedachten, met heel eigen wetmatigheden.

Erkka Nissanen maakt wonderlijke video's waarin alles lijkt te mogen. Het zijn een soort theaterstukken waarin hij computeranimatie met acteurs combineert. De ruimtes in zijn video's zijn altijd fictieve plekken. En met zijn acteurs is ook wat aan de hand: hij speelt alle rollen zelf. Met pruiken, nepsnorren, maskers, rubbervoeten en kostuums is hij alle figuren soms zelfs tegelijk. Da's handig: als je alles zelf doet heb je alle tijd en met acteurs moet je alles van te voren plannen. Nu doet hij alles in de omgekeerde volgorde. Niet expres maar per ongeluk. De personages praten ook een beetje vreemd: Engels maar met een schaamteloos accent en de wonderlijke strakke zinsmelodie van Finnen die Engels praten. En dat flink aangedikt.

Erkka Nissinen fantaseert over gebouwen en instituten. De setting van zijn video's is vaak futuristisch, alsof je in het kantoor van een ruimteschip bent beland. Maar niet strak en gelikt vormgegeven, daarin is hij niet geïnteresseerd. Bovendien heeft hij daar het budget niet voor.

In zijn presentatie op de Rijksacademie [1] liet hij een video-installatie zien met een hilarisch verhaal over gestolen yoghurt in een fictieve nieuwbouwwijk in Vantaa, een Fins stadje. Een computeranimatie laat dit stadje zien, met knalgroene tuintjes waarin pratende bloemen onzin uitkramen. Een dwerg met een baard die Arnold Schönberg heet (gespeeld door Erkka die op zijn knieën schuifelt in een monnikspij), is op zoek naar gestolen yoghurt. Op een eiland van Astroturf vindt hij de yoghurtdief, Karlheinz Stockhausen (ook gespeeld door Erkka), in de buurt van een drumstel waarop gespeeld wordt met aardappelen en sponzen. Dit klinkt maf en dat is het ook. Maar naar Erkka's video-vertelling blijf je kijken. De humor is meedogenloos. De onhandigheid van zijn personages, hoe ze spreken, wat ze doen: het grijpt je bij de keel. Erkka's werk is te plaatsen in de Finse volkscultuur. Die is boertig, hij gaat over het dagelijks leven, en een beetje platte humor doet het bij de Finnen altijd goed.


Kaap

Erkka's nieuwe werk bouwt voort op een video-werk dat hij in 2008 op de Rijksacademie liet zien. Op Kaap is er een houten sculptuur te zien, het is het decor waarin een video-komedie werd opgenomen. Ooit was het een heuvel, waarop een man een klaagzang over zijn leven aanhief. Oog in oog met een pessimistische maatschappij, wordt de jonge afgestudeerde verteerd door zware metafysische twijfel. Hij trekt zich terug in een bos en doet er onderzoekingen naar de eigenschappen van ruimte, tijd en licht.


Absurd

Mensen zeggen soms: 'het leven is absurd'. Ze bedoelen dat hun leven onlogisch is en zinloos lijkt. In de kunsten is er één stroming die zijn naam aan de term ophangt. Het 'absurd toneel' werd in de jaren '50 na de Tweede Wereldoorlog populair, gelijktijdig met het absurdisme in de filosofie (Albert Camus). Het bekendste absurdistische toneelstuk is Wachten op Godot. Het werd in 1952 door Samuel Beckett geschreven. Het gaat over twee mannen die wachten op Godot. Het gesprek tussen de mannen loopt erg moeizaam. Wie Godot is, is niet bekend. Onbekend is ook wanneer het stuk speelt. Het gaat over twee dagen in de levens van de mannen, maar hoelang ze al wachten is een raadsel. De personages zijn ook niet eenduidig: ze nemen elkaars eigenschappen over, wisselen af en toe van hoed. Verder is er veel herhaling, bijvoorbeeld in de tekst zelf. Zo lijkt de tweede dag in wat er voorvalt, erg veel op de eerste dag. En op de tweede dag weten de personages ook niet meer wat er de eerste dag gebeurde.


[1] De Rijksakademie in Amsterdam is een werk- en ontmoetingsplaats voor kunstenaars uit de gehele wereld. Zestig kunstenaars ('resident artists'), waarvan meer dan de helft van buiten Nederland komt, werken er maximaal twee jaar in een eigen atelier aan onderzoek, experiment, projecten en productie. Deze kunstenaars gaan in gesprek met elkaar en met internationaal gerenommeerde kunstenaars, kunstcritici, tentoonstellingsmakers en anderen. De Rijksakademie heeft  zeer grote nationale en internationale betekenis voor de hedendaagse kunst. Ieder jaar is er in november een tentoonstelling voor publiek, de Open Ateliers. Zes kunstenaars die dit jaar meedoen aan Kaap, waren hier ooit 'resident artist': Irene Kopelman (2002-2003), André Kruysen (1996-1997), Naro Snackey (2004-2005), Erkka Nissinen (2007-2008), Reinaart Vanhoe (1999-2000) en Stephen Wilks (1994-1995).

Met dank aan: MK2 Audiovisueel

Naro Snackey, Piraten ceremonie
1980 Bonn Duitsland, woont in Amsterdam
www.narosnackey.nl


Naro Snackey is een Nederlandse kunstenaar. In sculpturen en collages verwerkt ze beelden uit haar familiegeschiedenis. Familieportretten en gevonden foto´s die herinneringen oproepen, worden door haar in stukken gezaagd en versnipperd. Dat is nogal wat. Dat doe je als je kwaad bent en wraak wilt nemen. Voor Naro is het inderdaad bevrijdend, alsof ze herinneringen op wil blazen. Maar dit is het begin. Ze zet de foto´s weer in elkaar met schroeven, spijkers, lijm. Op die manier veranderen herinneringen. Er komen kieren en gaten in. Lucht. De foto´s worden beelden met een nieuwe betekenis. Ze worden op een andere manier persoonlijk.

Foto’s zijn plat maar Naro geeft ze een plek in ruimtelijk werk. Ze gebruikt vaak hout. Hout heeft net als de portretten een verleden. Een portret is een afbeelding van een persoon, een houten latje was ooit een boom. Op haar sculpturen tekent en schildert ze. Het maakproces is altijd zichtbaar. En net als je denkt het werk te gaan begrijpen, zijn er weer andere dingen te zien. Ze gebruikt niet alleen familiefoto’s, we zitten niet in een privéalbum te bladeren. Er zijn ook foto’s van dieren. Dat maakt het werk wat mysterieus. Je kunt er nooit helemaal de vinger opleggen.

Naro werkt gevoelsmatig, associatief en spontaan. Kunst maken is voor haar denken, dingen verwerken. De laatste jaren maakte ze verschillende grotere werken. Maar hoe groot ook, het blijft fragiel.

Naro vertelde dat ze haar allereerste tentoonstelling zag toen ze zes jaar oud was. Met haar familie bezocht ze musea in Bonn. Daar zag ze junk art: ruimtelijke werken en sculpturen gemaakt van afvalmateriaal. Hier brak ze zich het hoofd over: afvalmaterialen worden samengevoegd tot sculptuur of schilderij, en lijken vervolgens ook nog nergens op! Ze vond dat vreemd en ook wonderlijk, mensen hadden blijkbaar de behoefte om deze sculpturen te maken. Deze gedachte is haar altijd bijgebleven.


Kaap

Naro bouwt in een bunker een gedeelte van een Playmobil piratenschip na: een stuk van het dek, een mast, het roer en een anker. Al die onderdelen worden zwart-wit. In de ruimte vormen ze een coulisse, waar personages te voorschijn kunnen komen. Misschien wel bebaarde piraten… Voor dit werk gebruikt ze haar collage-achtige manier van werken, die tussen fotografie, schilderen en sculptuur in ligt.


Spiegelbeeld

Wanneer wordt autobiografische kunst boeiend? "Ik verkijk me constant op wat het is, dat ik gemaakt heb" zegt Naro zelf, en dat vat veel samen. Kijken, omkijken, terugkijken, het zijn cruciale handelingen in een oeuvre gedomineerd door de aanwezigheid van portretfoto's. Naro Snackey gebruikt foto's uit haar familiegeschiedenis als de elementen in een scala van werkwijzen en expositievormen, maar een foto is bij haar geen venster op het verleden. De foto is eerder een beginpunt dat een sfeer en verhaal oproept, een dubbelleven geeft aan de afgebeelde persoon of situatie. De bewerkingen van een beeld tekenen zich af op iets dat ooit een document was. Nu wordt het de neerslag van een transformatie. Er ontstaat een tussenwereld die nieuwe associaties oproept. Dat Naro Snackey zich verkijkt op haar werk is essentieel: het is een manier om te blijven zoeken, om met het verleden om te gaan zonder het stil te zetten. Naro Snackey's portretten kijken terug, niet vanuit hun geschiedenis maar vanuit hun eigenheid, en confronteren hun publiek. "Iets dat terugkijkt", vervolgt ze, "maakt je zelf transparant". [1]


[1] Deze alinea is grotendeels gebaseerd op een nog ongepubliceerde beschouwing van Laura Schuster over het werk van Naro Snackey.

Reinaart Vanhoe, “Ik ga naar het fort en neem mee: 5 reclamezuilen,”
1972  Kortrijk België, w
oont in Rotterdam
www.vanhoe.org

 

Ik hou me bezig met de wereld omdat dat het enige is wat ik zie.”

Reinaart Vanhoe is een kunstenaar die moeilijk onder één noemer te vangen is. Dat vindt hij zelf ook.[1]

In zijn werk laat hij zien dat de kijker altijd met een bepaalde verwachting naar kunstwerken kijkt. Als de verwachting niet wordt ingelost, raakt de kijker in de war. Dat wordt soms het onderwerp van een werk. Hij maakte bijvoorbeeld een kunstwerk voor een hotel in Rotterdam, maar het hotel herkende het werk niet als kunst. Dat leverde wat gedoe op, want het kunstwerk (een stapel dozen met 50.000 publicaties) werd verplaatst zonder dat de kunstenaar daarvan wist, terwijl hij had verteld wat zijn plan was. Dit werk liet zien dat sommige dingen weinig aandacht krijgen, terwijl ze wel betekenis hebben.

Reinaart Vanhoe laat op zijn manier de wereld zien waarin wij leven. Hij brengt omgevingen, vaak in de stad, in kaart. Reinaart begint vaak met tekstflarden en woorden die hij in zijn omgeving, in kranten of ergens in het straatbeeld opmerkt. Het werk beperkt zich soms tot diezelfde tekstflarden. Soms zijn het zinnetjes op een tentoonstellingsmuur. En soms doet hij kleine ingrepen in de stad. Zo vroeg hij bijvoorbeeld aan bewoners van een probleemwijk in Antwerpen vlaggen uit hun huis te hangen met het woord “Welkom” erop. Het was voor voorbijgangers een onverwachte verrassing.

Nog een ander voorbeeld waar het gaat om taal en omgeving: op de beginpagina van zijn website heeft hij allemaal adressen van bedrijfjes gezet. De achternamen van de mensen komen uit dorpjes in de regio Kempen in België, het gebied tussen Antwerpen en Luik. De meeste mensen op de lijst wonen in een dorp net naast het dorp van hun achternaam. Zo komt bijvoorbeeld Tim van Mechelen uit Antwerpen en is pedicure Ann Van Turnhout gevestigd op de

Herenthoutseweg 92
2200 in Herentals.

In weer een ander werk laat Reinaart zien hoe ingewikkeld een stad is: op een kattebelletje schreef hij een hele lijst straatnamen. Deze straten zijn genoemd naar gezagsdragers of naar industriëlen. Het is een allegaartje, uit allerlei plaatsen en allerlei tijden zijn de mensen geplukt. Maar ze komen samen in de straatnamen van de stad Luik. De sfeer van macht en invloed die de lijst oproept, en het statige karakter, staat in schril contrast tot de trieste reputatie die Luik als stad vandaag heeft: grijs, arm, crimineel en corrupt.


Kaap

Reinaart zocht een reden om kunst op een fort neer te zetten. Hij is een stadsmens, de stad is de plek waar hij opereert. Aangezien het fort een deel van de stad Utrecht is, ben je nog steeds in de stad als je op het fort bent. Daarom leek het hem niet meer dan logisch om mupi’s te gebruiken voor zijn werk. Op het fort wil hij enkele mupi’s nieuw leven inblazen, dat wil zeggen een andere bestemming geven. En in de stad wil hij in enkele mupi’s met de titel van het werk tonen.


Fluxus

Het werk van Reinaart Vanhoe brengt de mentaliteit van Fluxus in herinnering. Deze kunsttendens ontstond in New York in het begin van de jaren ’60. Het woord Fluxus komt uit het Latijn en betekent onder meer reinigende stroom. Het woord werd voor het eerst gebruikt rond 1961 door de grondlegger van Fluxus, George Maciunas, voor kunstmanifestaties waarbij de grenzen tussen kunst en muziek verdwenen. Fluxuskunstenaars wilden kunst en dagelijks leven bij elkaar brengen. De kunstpraktijk moest daartoe gezuiverd worden van door musea en commercie aangehangen elitaire opvattingen. Reinout Vanhoe heeft oog voor de orde rondom ons. Hij verandert de orde in zo’n reinigende stroom. Dingen worden bij hem nieuw.


[1] In een interview (met Siebren de Haan) zegt hij: Ik denk dat ik zelf vaak dingen maak die slechts door een aantal mensen te begrijpen zijn. Dit zijn misschien mijn scherpste tentoonstellingen/dingen. Ik zou zelfs willen stellen dat daar interessantere dingen aan de hand zijn dan de ietwat algemenere beelden, het toegankelijkere. We moeten niet bang zijn voor het feit dat kunst een lastige aangelegenheid is en slechts te begrijpen door een beperkt aantal mensen. Zonder een oordeel te willen geven over de benodigde intelligentie van eender wie, want daar heeft het niks, dan toch weinig mee van doen.

Stephen Wilks, Rups en Vlinder
1964 Bridgwater Engeland, woont in Berlijn
www.trojandonkey.net


Stephen Wilks heeft de rol van een nar die verbaasd naar de wereld kijkt. Hij gebruikt allerlei manieren en materialen om commentaar te geven; foto’s, beelden, poppen. Wat hij ziet, zet hij naar zijn hand in kleurrijke beelden: in zijn werk gaat het er vrolijk en chaotisch aan toe. Hij laat dingen zien die een gewone stadsbewoner, op de fiets naar zijn werk, niet meer opvallen. Stephen heeft een grappige kijk op dagelijkse taferelen.

Op het platteland zag hij een groene kool, maakte die na van keramiek en zette die op een stok waardoor het een opgezette kop werd. In de stad zag hij een keer twee zwanen in de gracht en een propje papier op straat. Op de foto die hij hiervan maakte, werden dat drie even grote witte vormpjes. Je moet drie keer kijken, het is heel vreemd. Of hij maakt een foto van wat dames op straat met wel vijf dozen wasmiddel van hetzelfde merk. Als je dat ziet, ga je er meteen een verhaal bij bedenken. Waarom hebben ze in vredesnaam zoveel gekocht? Ze kunnen het spul nauwelijks dragen. Zijn foto’s en tekeningen zijn subtiel. Ook qua formaat. Maar hij maakt ook grote sculpturen van stof en organiseert wonderlijke straatparades met dieren die meer dan levensgroot zijn. Zijn werk wordt door musea over de hele wereld aangekocht.

Al een aantal jaar werkt Stephen aan Animal Farm. Dit werk verwijst naar het gelijknamige boek van George Orwell (uit 1945). Deze klassieker gaat over een boerderij waar niet de mensen het voor het zeggen hebben, maar de dieren zelf. Niemand is er de baas, iedereen is gelijk. Maar al snel zijn er een paar varkens die als dictators de rest van de dieren vertellen wat ze moeten doen. En de varkens verzinnen een nieuwe wet: “Alle dieren zijn gelijk, maar sommigen zijn gelijker dan anderen.” Daardoor kunnen de varkens dingen doen die anderen niet mogen. Orwells Animal Farm is een satire op het communistische politieke systeem van de voormalige Sovjet-Unie. De Animal Farm van Stephen Wilks bestaat uit beelden, maskers, tekeningen, performances in verschillende landen, en films daarvan. Hij houdt feestelijke optochten waar mensen zijn reusachtige knuffeldieren op stoelen ronddragen. Eigenlijk geeft zijn werk aan de dieren van Orwell, inclusief de arrogante varkens, hun eer terug.

Stephen Wilks is ook al jaren bezig met zijn project Trojan Donkey. Levensgrote stoffen ezels logeren steeds bij andere mensen, in verschillende landen. De gastfamilie geeft de ezel steeds weer door aan iemand die ze vertrouwen. Soms verschijnen de dieren in openbare ruimtes: ziekenhuizen, scholen of tentoonstellingen. Er reizen zeven verschillende ezels rond, allemaal met een andere kleur. In de buik van de ezel zit een wegwerpcamera, wat spullen om te schetsen en om te schrijven. Zo kan iedereen bijhouden wat de ezel beleefd heeft. En je kan ook spullen in de buik stoppen waarvan je denkt dat de ezel die nodig heeft tijdens zijn reis. Alle avonturen, foto´s, tekeningen, verhalen komen op de website www.trojandonkey.net te staan. Daar zie je waar de ezels allemaal terecht komen. Zo komt de kunstenaar in allerlei huizen en kan hij (en wij) zien hoe het leven daar is.


Kaap

Voor Kaap had Stephen een aantal ideeën en hij stuurde ons prachtige schetsen. Na zijn bezoek aan het fort werd zijn plan concreet. Hij gaat een grote rups maken en er allerlei woorden opschrijven. De rups ligt in een donkere bunker. Er dichtbij in de buurt, op de stenen buitenmuur, maakt hij een kalktekening van een vlinder.


Verhaal

Stephen is kunstenaar, maar eigenlijk is hij een verhalenverteller. Zijn werk herinnert aan volkskunst en burleske humor die conventies doorbreekt. Een kunstenaar die een verhaal wil vertellen, gebruikt beelden. Beelden zeggen meer dan woorden, maar je hebt wel woorden nodig om beelden na te vertellen. Ga maar na: je hebt iets moois gezien, bijvoorbeeld een kunstwerk, en je wilt dat met iemand delen, dan kom je niet om woorden heen. Een kunstenaar maakt daar op zijn manier gebruik van. Door materiaalgebruik, kleur en vorm, geeft hij de kijker allerlei hints. De kijker kijkt naar het kunstwerk, hij gebruikt wat hij weet en zijn eigen fantasie, en maakt zelf het verhaal. De kunstenaar heeft, kortom, de kijker nodig. Om het verhaal (af) te maken.